Hoofdstuk 1

1.5 Overig luchtverkeer

Als de piloot een ander luchtvaartuig in zicht krijgt, moet het onbemande luchtvaartuig onmiddellijk op veilige afstand (500 meter) worden gebracht. Als het onbemande luchtvaartuig op de koers van een ander luchtvaartuig ligt, zul je als piloot het onbemande luchtvaartuig altijd moeten laten landen of tot een veilige hoogte (0-10 meter) laten dalen. Als zulke afstanden niet kunnen worden gegarandeerd, zal het onbemande luchtvaartuig altijd onmiddellijk moeten landen.

Résumé

Zie hoofdstuk 1.10 voor een korte samenvatting.

Créer un compte pour continuer la lecture